Vakdidactiek 4 – toetsing

Voorwoord

Toetsing is de laatste schakel in een leerarrangement en sluit daarom de route naar vakdidactisch onderlegd werken af. We hebben het afgelopen jaar veel geleerd. Hoe zet je een goede les op? Welke activerende activiteiten kun je inzetten?.

Nu komen we bij de afronding. Wat zijn de voorwaarden waaraan een goede toets moet voldoen, maar ook hoe beoordeel en analyseer je een toets, binnen de context van het toetsprogramma van een school?

Boeiende vragen waar we in deze onderwijseenheid antwoord op kregen.

Veel leesplezier,

Diederik van Stempvoort

 

  1. Inbedding in toetsbouwwerk. 4
  1. Beoordelen en verbeteren van een bestaande toets. 5
  2. Inhoudelijke beargumentering. 6

 

Inleiding

Uit onderzoek[1] blijkt dat een docent een vierde tot een derde van de beschikbare lestijd besteedt aan activiteiten zoals: het stellen van vragen aan leerlingen; opdrachten geven, beoordelen en bespreken; het   afnemen en beoordelen van mondelinge en schriftelijke toetsen. Deze activiteiten, die we in dit  boek met de  term ‘toetsen’ aanduiden, blijken in opleidingen van onderwijsgevenden relatief weinig aandacht te krijgen. Die geringe aandacht staat in schril contrast met de belangrijke invloed die toetsen op leerlingen hebben. Beslissingen die op basis van toetsen genomen worden, bepalen naar wat voor school leerlingen kunnen, hoe lang hun opleiding duurt en wat voor beroep zij later kunnen uitoefenen.

Het verbaasde mij hoe moeilijk het is een goede toets te maken, te beoordelen en helder te krijgen wat dit dan zegt over de prestaties van leerlingen. Deze module vond ik daarom erg nuttig.

Tijdens het lesgeven heb ik ervaren dat toetsen door de loop van een jaar heen een goed beeld geven van iemands niveau. Maar een manco vind ik wel dat er weinig lerend effect is en teveel afhangt van situationele zaken zoals of er een feestje is gewest de avond ervoor. Daarnaast kan het soms erg lang duren voor een leerling goed kijkt naar zijn resultaat en zijn leren aanpast wanneer dat resultaat afwijkt van het gewenste.

Ik kwam 4 vragen tegen [2] in het boek actief leren die een centralere rol zouden moeten krijgen. Bijvoorbeeld door tijdens de toets bespreking hier aandacht aan te geven. De 4 vragen zijn:

  • Wat probeerde je te bereiken (wat zijn de doelen)
  • Wat ging goed?
  • Wat zou je volgende keer ander doen?
  • Heb je hulp nodig?

 

Leeswijzer

Als eerst gaan we in dit verslag kijken naar het toets bouwwerk op het Cals College in IJsselstein. Vervolgens kijken we naar de inbedding in het toets bouwwerk van 1 specifieke toets. Deze toets gaan we beoordelen en verbeteren.

Hierna volgt de inhoudelijke beargumentering van alle onderdelen van de toets. Uiteindelijk volgt de reflectie van mij op de afgelopen periode en op de resultaten van de toets.

  1. Inbedding in toetsbouwwerk

Ik ga uit van een reeds bestaande toets namelijk, de toets van hoofdstuk 2, niveau 3TL. De inbedding is voornamelijk vastgelegd in het PTA en geïnitieerd door de eindtermen. De uitgever van de methode heeft gezorgd dat de door de overheid vastgestelde eindtermen in hoofdstukken geordend bij elkaar komen.

In de eerste hoofdstukken gaat het over datgene wat het dichtst bij de leerling staat; consumptie, consumenten, mensen. Daarna komen bedrijven, overheid en uiteindelijk het buitenland. In die zin zit er een goede opbouw in.

Het cito[3] formuleert 5 aspecten die docenten moeten kunnen;

  • Docenten moeten weten dat toetsen verschillende doelen hebben
  • Docenten moeten toetsen kunnen ontwikkelen
  • Docenten moeten weten waar ze informatie over toetsen kunnen vinden
  • Docenten moeten de kwaliteit van toetsen en examens kunnen beoordelen
  • Docenten moeten toetsresultaten kunnen beoordelen en interpreteren

1.1        Ontwerp

Het ontwerp wordt gedaan door Noordhoff uitgevers. Het is goed te zien dat ze hier zorg aan besteden. Er is een goede verdeling van vragen en een goede opbouw te zien.

De bedoeling van de toetsen is summatief, er wordt getoetst voor een doel.

1.2        Uitvoering

De uitvoering ligt in handen van de docent. Hij neemt de toets af binnen een klaslokaal en zal dus moeten zorgen voor bijvoorbeeld naleving van de regels.

1.3        Beoordeling

Er is door de uitgever geen cesuur vastgesteld of beoordelingsmodel gegeven. De docent zal dit naar eigen inzicht moeten maken.

1.4        Regelingen

Een toets telt 3 keer mee en een praktische opdracht 1 keer. Het is niet mogelijk te herkansen. Volgens het PTA hebben leerlingen het recht om hun toetsen in te zien en bij vragen uitleg te krijgen over de beoordeling[4]

 

  1. Beoordelen en verbeteren van een bestaande toets

Ik heb gekozen om een bestaande toets te beoordelen en waar mogelijk te verbeteren. De gekozen toets is van het niveau 3TL en gaat over hoofdstuk 2. Het onderwerp is ‘de bank en jouw geld’.

Open en gesloten vragen

Er zijn in de beoordeelde toets 5 gesloten vragen en 10 open vragen.

Bij gesloten vragen[5] moet er gekozen worden uit twee of meer alternatieven er is sprake van een stam en een aantal afleiders.

 

Mogelijke verbeteringen

Bij 5 gesloten vragen is er een grote gok kans. Dat zou uitgesloten moeten worden.

Brongebruik

Bron 1 = een bankafschrift

Bron 2 = krantenartikel

Bron 3 = Staafdiagram

Bron 4 = Overzicht van spaarvormen

Bron 5 = Overzicht van leenkosten bij verschillende looptijden

Bron 6 = Formulier budgetruimte

Bron 7 = Tabel budgetruimte

Bron 8 = Wisselkoersen tabel

 

Mogelijke verbeteringen

Er worden in deze toets erg veel bronnen gebruikt. Dat zou ik liever terug gebracht zien naar maximaal 6 waarbij bijvoorbeeld 1 bron meerdere keren gebuikt wordt.

 

Translerende vragen

Translerende vragen richten zich op het vertaling van een beeld. Vertel bijvoorbeeld in eigen woorden wat er bedoeld wordt in dit krantenartikel. Vaak wordt deze stap overgeslagen. Meestal worden en interpretatie vragen gesteld. Zo ook in de toets die we hier behandelen. De meeste vragen die komen na een bon zijn interpretatie vragen. Een goede translerende vraag zou zijn.

 

Bij het rekeningafschrift. Vertel in eigen woorden wat er gebeurd is op de betaalrekening van de heer Muller.

 

Opbouw van de vragen

 

Mogelijke verbeteringen

De opbouw is 1 van de dingen die ik erg goed vind in de onderzochte toets. Eerst een paar makkelijke vragen om erin te komen. Ongeveer in het midden van de toets het moeilijkste deel en op niveau eindigen. Hierdoor is er niet het probleem dat het begin afschrikt. Of dat het einde te moeilijk is.

 

Voorblad met instructie

Er wordt vanuit de uitgever geen voorblad met instructies geleverd.

 

Mogelijke verbeteringen

Ik heb een voorbeeld voorblad bijgevoegd bij het hoofdstuk inhoudelijke beargumentering.

 

Aantwoordmodel, toetsmatrijs, cesuur

Er wordt door de uitgever enkel een antwoordmodel geleverd maar geen puntendeling bij de vragen. Die moet de docent zelf maken. Ook wordt er geen toetsmatrijs of cesuur geleverd. De meeste docenten zullen geen toetsmatrijs maken. De cesuur zal in de meeste gevallen als volgt zijn; aantal punten/max. punten= *9+1= 5,5 dan is er een voldoende behaalt.

 

Mogelijke verbeteringen

Bij de geleverde toets heb ik een matrijs en puntendeling gemaakt.

 

 

  1. Inhoudelijke beargumentering

Bij deze ontworpen of verbeterde toets geef je bij wijze van docentenhandleiding een inhoudelijke beargumentering (aan de hand van het geleerde in de les en de literatuur):

3.1        Curriculum alignment

Hierin betrek je onder meer:

 

  • doelen
  • activiteiten
  • toetsing

 

Bij de toets die ik heb bekeken en als ik kijk naar mijn ervaringen binnen het onderwijs, is dit een taak die vooral ligt bij de uitgever. Die stelt het boek samen op basis van de eindtermen. De docent is in mijn ervaring vooral volgend.

 

 

 

3.2       Doelen

Vanuit de eindtermen voor het eindexamen worden leerdoelen geformuleerd.

 

H. 2 Consumptie (geldzaken) EC/K/4A  EC/K/4B 
§ 2.1   CE Geld en geldfuncties. Modern betalingsverkeer. Motieven sparen en lenen. Rol van de banken. 4A.4, 4A.5
§ 2.2        SE Sparen: hoe werkt het? 4B
§ 2.3        SE Lenen: hoe werkt het? 4B
§ 2.4        SE Vreemd geld 4B

 

EC/K/4A 1 bij verschillende vormen van consumptie de keuzeproblemen beschrijven, die zich daarbij kunnen voordoen door schaarste van middelen en tijd en door verschillen in urgentie van behoeften. Hij/zij betrekt daarbij
  • koop en verkoop als vorm van ruil
  • de samenhang tussen ruil, maatschappelijke arbeidsverdeling en geldgebruik

 

EC/K/4A 4 aan de hand van concrete voorbeelden het belang van geld voor de economie en de huidige vormen van betalingsverkeer beschrijven
EC/K/4A 5 motieven voor en gevolgen van sparen en lenen noemen en de rol van banken daarbij beschrijven.Hij/zij betrekt daarbij
EC/K/4A 5
  • rente als vergoeding voor het uitlenen van geld
EC/K/4A 5
  • financiële instellingen als bemiddelaars tussen vragers en aanbieders van geld

 

 

EC/K/4A 6 budgettaire mogelijkheden ten aanzien van kopen, sparen en lenen en de gevolgen daarvan

 

EC/K/4B in een voor leerlingen herkenbare situatie met behulp van een gegeven koers berekeningen maken met vreemd geld
EC/K/4B aan de hand van verstrekte of verzamelde actuele gegevens van bestaande banken een beargumenteerde keuze maken voor de meest gunstige spaarvorm en leningsvorm, daarbij eventueel gebruikmakend van ICT.
EC/K/4B  

 

 

 

 

 

 

 

onderscheid in spaarvormen
EC/K/4B onderscheid in leningsvormen
EC/K/4B het keuzeprobleem: sparen of besteden
EC/K/4B het keuzeprobleem: lenen of niet lenen
EC/K/4B de berekening van enkelvoudige rente gegeven een spaarbedrag in gehele munteenheden, een looptijd in gehele jaren en een rentepercentage

 

3.2.1     Taxonomy van Bloom

Door middel van het invullen van de taxonomy van Bloom is het mogelijk om inzichtelijk te krijgen waar de toets zich eigenlijk op richt. Misschien zitten er wel teveel vragen in die zich richten op onthouden terwijl je wil dat er veel meer toegepast wordt.

 

 

 

 

3.3.1           Activiteiten

 

Gebruikt is het boek Pincode, elk boek voor elk jaar bestaat uit acht hoofdstukken. Elk hoofdstuk bestaat uit de volgende onderdelen:

 

–       Hoofdstukopening

–       Voorkennis

–       Vier paragrafen

–       Samenvatting

–       Begrippenlijst

–       Keuzeopdrachten en ICT

–       Test

–       Herhalingsopgaven

–       Extra opgaven

 

Er is sprake van een concentrische leerlijn. Dit betekent dat alle hoofdstukken die de zaken behandelen die op het examen komen al in het eerste jaar langskomen. Het haar daarna is er sprake van verdieping. Het laatste jaar komt er dan een verdere verdieping.

3.4       Toetsing

Onder de tab proefwerken in het docentenpakket vindt u de toetsen bij het leerboek. De toetsen kennen een vast format. Er zijn steeds vijf gesloten en tien open vragen, waarbij er een opbouw is van kennis, via toepassing naar inzicht en/of complexere vragen. Een antwoordmodel is bijgeleverd.

 

Er zijn bij ieder hoofdstuk twee toetsen: een A- en een B-versie die aan elkaar gelijkwaardig zijn. De toetsen worden digitaal geleverd, zodat u naar eigen inzicht vragen kunt toevoegen, weglaten of aanpassen.

3.4.1     Criteria[6]

 

  • Valide
  • Transparant
  • Betrouwbaar

 

Een proefwerk is valide wanneer hij toetst wat men wil beoordelen. De belangrijke begrippen uit de leerstof moeten wel terugkomen in de toets. Redenen waarom een proefwerk niet valide is zijn bijvoorbeeld; als er op hele andere dingen gelet wordt dan is afgesproken of als een toets de behandelde leerstof niet representeert.

 

Een toets komt transparant tot stand als leerlingen van tevoren weten waarop ze getoetst worden, in welke vorm er getoetst wordt, hoeveel tijd ze krijgen en hoe hun toets tot stand komt. In het handboek voor leraren vindt u een handige checklist om te controleren of een toets valide, transparant en betrouwbaar is.

 

Betrouwbaar is een derde criterium, daarmee wordt bedoeld dat herhaalde meting tot hetzelfde resultaat zou moeten leiden. Om dat voor elkaar te krijgen zou je als leraar een antwoordmodel moeten hanteren. Als ik zelf naar de toetsen kijk die ik afneem vind ik niet dat er wordt voldaan aan deze eisen. Dit is iets wat ik absoluut anders zou doen in de toekomst.

3.4.2 Toets, beoordelingsformulier en toetsmatrijs

Doordat de toetsen bij economie automatisch een cijfer geven is er niet het probleem van subjectiviteit zoals genoemd door het handboek[7]

 

 

 

De instructie

Eigenlijk wordt er bij de instructie van een toets niets gedaan. Het zou beter zijn om net als bij een examen dit op deze manier te doen:

 

 

Vak: Economie SE3

 

Klas: 4TL

 

Datum: Donderdag 10 maart 2014

 

Tijd: 12.25 uur – 14.05 uur

 

Bevat: 30 vragen

 

Opmerkingen:               – Rekenmachine toegestaan, géén organizer of mobiele telefoon

– Niets lenen van elkaar

– Kladpapier toegestaan

– Werk maken op dubbel examenpapier

 

 

Het is duidelijk dat leerlingen op deze manieren veel zaken al van te voren weten. Mij verbaasde het dat leerlingen zoveel voor de hand liggende vragen stellen. Na ongeveer een jaar in het onderwijs heb ik dit meer geaccepteerd en begrijp ik het beter. Leerlingen willen onzekerheden uitbannen. Vaste kaders geven veiligheid. Dus wanneer iets onduidelijk is vragen ze het, ook al is het misschien heel voor de hand liggend. Wanneer op het eerste blad duidelijke instructies staan helpt dit enorm hierbij.

 

 

Score tabel

Deze tabel heb ik helaas niet in kunnen vullen voor mijn toets. Maar het is duidelijk waarom je dat wel zou doen. Op deze wijze krijg je inzicht in de individuele leerling en zijn prestaties. Door dit structureel te doen kun je kinderen er goed helpen. Je kunt ze inzicht geven in waar ze hun leren op moeten richten.

 

Proefwerk H2        VMBO 2TL
1 2 3 4 5 6
onderdeel a b c a b a b c totaal cijfer
max.score 10
Lieke
Janneke
Mathijs
Peter
Totaal
Gem. score
P-waarde
H-waarde
L-waarde
D = H – L

 

Berekeningswijze cijferbepaling:  . . . . . . . .

Cesuur: 5,5  =  . . . . .  scorepunten

 

Toetsmatrijs

Door de toetsmatrijs in te vullen is goed te zien of een toets zich richt op de zaken die je wil toetsen. Het is niet handig om heel veel evaluatie vragen te gaan stellen terwijl je eigenlijk nog niet getoetst hebt of de kennis wel onthouden is.

Onthoud Begrip Toepas Analyse Evalueren Creëren Totaal
Feitelijke kennis 9a, 9b13 5, 6, 9c11 12 4
Conceptuele kennis 1, 3a, 3b 3c, 10,15 2
Procedurele kennis 3d, 8a, 8b, 14 14b
Metacogni-tieve kennis 7
Totaal
100%

 

3.4.3    de wijze van beoordelen, cijfertoekenning en cesuur

In de meeste scholen wordt er gebruik gemaakt van de 10-puntsschaal voor het beoordelen van leerlingen. Daarnaast kun je bijvoorbeeld ook kiezen voor G/V/O/ als beoordelingsmogelijkheid. Uit onderzoek[8] blijkt dat hoe meer keuzes mogelijk zijn hoe minder overeenkomst er is in de beoordeling van leerlingen.

 

Er zijn twee soorten van beoordelen;

  • Relatief
  • Absoluut

 

Wanneer je het cijfer baseert op de groepsnorm spreek je van relatief beoordelen. Wanneer je gebruik maakt van een van te voren vastgestelde norm spreek je van absoluut beoordelen.De toets die ik bekeken heb is een absoluut beoordeelde toets.

De cesuur is een 5,5, het behaalde aantal punten wordt gedeeld door het maximum te behalen aantal en vervolgens wordt de uitkomst vermenigvuldigd met 9 plus 1. Op die manier heft iemand die de helft van de punten heeft het gehaald.

 

 

4       Reflectie

Door deze module is er voor mij veel bij elkaar gekomen. Vakdidactiek 1 gaat over het vormgeven van een les. Nu kijk je naar zowel toetsing, activiteiten en doelen. Ik heb ervaren dat het in deze module allemaal nog eens langs kwam. Een van de dingen die ik geleerd heb is om veel duidelijker bezig te zijn met de doelen. Die noem ik eigenlijk nooit aan het begin van de les. Ik heb ze ook niet echt voor ogen tijdens de activiteiten die ik doe of tijdens de toets. Door deze module heb ik de connectie beter gemaakt. Ik ga komende jaren mezelf meer bekwamen in het uitgaan van de doelen bij het vormgeven van mijn activiteiten en toetsen.

Ik heb 2 derde klassen. In beide klassen is er gemiddeld een 5 gehaald. Dit is in vergelijking met andere toetsen in de loop van het jaar niet goed. Er zijn een aantal redenen aan te geven. Enerzijds denk ik dat het komt doordat de 1e toets heel goed gemaakt was. Daardoor hebben veel leerlingen niet of nauwelijks geleerd. Dit is een van die dingen waar je als docent weinig invloed op hebt helaas. Ik heb gemerkt en in gesprekken met collega’s meegekregen dat er zaken zijn die buiten je invloedsfeer liggen maar toch van grote invloed zijn. Dit zijn voornamelijk zaken die komen door de levensfase van de puber. Hier wil ik verder niet veel aandacht aan geven omdat het buiten mijn invloed ligt. Denk aan tijd van het jaar, tijdstip van de les, hormonen die door het lijf gaan, feestjes, etc. De 2e reden, die wel te beïnvloeden is, was dat er veel rekenen zit in deze toets.

Helaas ben ik erg druk geweest met 2 examenklassen en een schoolreisje naar Parijs. Vandaar dat het niet gelukt is om alle onderdelen zo uit te werken in dit verslag als ik wilde.

 

Bibliografie

Ebbens, S., & Ettekoven, S. (2000). Actief leren. Groningen: Wolters Noordhoff.

 

Geerts, W., & Kralingen, R. (2013). Handboek voor leraren. Bussum: Coutinho.

 

Melief, K., Tigchelaar, A., Korthagen, F., & Koster, B. (2002). Leren van Lesgeven. Soest: Uitgeverij Nelissen.

 

Sanders, P. (2012). Toetsen op school. Arnhem: Cito.

 

Teitler, P. (2004). Leren in veiligheid. Utrecht: Agiel.

 

 

 

Bijlagen

 

1 – Toets

2 – PTA

3 – Scoretabel

Hoofdstuk 2: De bank en jouw geld                                        Versie B GT

 

 

n         1          Jorn en Barry uit klas 3D praten met elkaar over geld. Jorn zegt dat het nieuwe Playstationspel bij Bol.com € 8 goedkoper is dan bij de Free Record Shop. Barry vertelt dat hij iedere maand € 50 reserveert om over een paar jaar autorijlessen te kunnen nemen.

Welke geldfunctie herken je bij Jorn en welke bij Barry?

Jorn:                            Barry:

A          rekenmiddel                 spaarmiddel

B          ruilmiddel                     spaarmiddel

C          spaarmiddel                 rekenmiddel

D          rekenmiddel                 ruilmiddel

 

 

Afrekening ING betaalrekening  

 

Datum                     rekening                  Bladnr.     Volgnr.

HR B MULLER                         30-01-2011              5362809                  1             9

SCHOOLSTRAAT 2                  Totaal bijgeboekt     Vorig saldo

3806 XM  HOGEVELDE             ……………                121,18 CR

Totaal afgeboekt      Nieuw saldo

……………                ……………

_______________________________________________________________________________________

Geboekt op       Naam/omschrijving                                                Code  nr.                    Girorekening             Af/bij     Bedrag

03 JAN           K VELDKAMP schoolkosten GT   311            1230865               BIJ                   35,00

04 JAN           VV ROOD-ZWART             GT     19           2489641               AF                   23,50

04 JAN           KIJK abonn 3e kwartaal 06 AC                                               AF                   18,50

19 JAN           ETOS                               BA                                               AF                   17,38

25 JAN           maandtoelage                   GT   350            1230865               BIJ                   85,00

26 JAN           RABOBANK ARNHEM         GM                                              AF                   60,00

 

o         2          Bekijk het rekeningafschrift hierboven en reken uit wat het nieuwe saldo is dat de

heer Muller op 30 januari op zijn rekening heeft staan. Geef ook aan of dat een             debetsaldo of een creditsaldo is.

 

Fraude met internetbankieren stijgt fors
Het aantal gevallen van fraude met internetbankieren is vorig jaar fors gestegen. Over heel 2010 waren er 1.383 fraudegevallen met internetbankieren, tegen 154 in 2009.De schade als gevolg van fraude met internetbankieren bedroeg vorig jaar 9,8 miljoen euro tegen 1,9 miljoen euro in 2009.

 

3          Lees het krantenartikel hierboven.

a     Noem een voordeel dat banken hebben als hun klanten internetbankieren.

b     Noem een voordeel van internetbankieren voor de consument.

c     Laat met een berekening zien of de schade per fraudegeval is toegenomen of       afgenomen.

d     Bereken met hoeveel procent de schade als gevolg van fraude in 2010 ten            opzichte van 2009 is gestegen.

Ga verder op de volgende bladzijdeà

 

                                Staafdiagram 1: Rente en inflatie 2007 t/m 2009

 

o         4          Gebruik bij deze opgave het staafdiagram hierboven.

                        In 2009 had Eric € 40.000 op een deposito staan.

Hoeveel euro nam de koopkracht van zijn spaargeld in 2009 toe? Schrijf je berekening

 

n          5          Kevin wil bij de Free Record Shop de nieuwe dvd van CSI New York gaan kopen. Hij pint daarvoor bij de geldautomaat van de Rabobank € 40.

Wat gebeurt er met de girale- en chartale geldhoeveelheid in Nederland?

 

De girale geldhoeveelheid:                   De chartale geldhoeveelheid:

A     daalt                                            blijft gelijk

B     blijft gelijk                                    daalt

C     daalt                                            neemt toe

D     neemt toe                                     daalt

 

o          6          Lees de onderstaande zinnen. Elk van de genoemde personen heeft een ander spaarmotief. Schrijf op welk spaarmotief ze hebben.

a   De heer De Jong spaart iedere maand € 500. Over drie jaar wil hij van dat spaargeld graag een zeilboot kopen.

b   Peter (26) heeft voor weinig geld een oude tweedehands auto gekocht. Omdat hij bang is dat hij daar reparaties aan zal krijgen, legt hij geld opzij.

c   Mevrouw Polman heeft € 40.000 op haar rekening staan. De rente gebruikt ze als aanvulling op haar pensioen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Bekijk bovenstaande spaarvormen en maak de opgaven 7 en 8.

 

o          7          Bülent is bijna achttien en heeft € 2.450 aan spaargeld. Hij wil zijn spaargeld op een van de hierboven genoemde rekeningen storten. Bülent wil al snel zijn spaargeld van de rekening afhalen. Hij wil, als hij 18 jaar wordt, met een spoedcursus van 10 dagen zijn rijbewijs halen. Dat kost hem in totaal € 2.500 en dat bedrag moet hij vooraf betalen.

Wanneer levert de bonusrenterekening meer op dan internetsparen? Leg je antwoord uit.

o          8         Bülent  besluit het bedrag van € 2.450 op de internetspaarrekening te zetten.

a   Laat met een berekening zien hoeveel maanden Bülent  het geld op de spaarrekening moet laten staan om zijn spoedcursus te kunnen betalen.

Bülent  besluit om al na drie maanden het hele spaarbedrag, inclusief de rente, van de rekening af te halen.

b   Laat met een berekening zien of Bülent nu genoeg geld heeft om zijn spoedcursus te betalen.

 

n          9         Zijn de volgende beweringen juist of onjuist?

a   Tussentijds kun je moeilijk over het geld op je spaardeposito beschikken.

b   De rente op een spaardeposito is meestal lager dan op een gewone spaarrekening.

c   Als de rente op gewone spaarrekeningen stijgt, is het verstandig een spaardeposito te nemen.

 

Tabel 1 : Persoonlijke lening ING

 

o        10          Bekijk de tabel hierboven. Samir leent € 7.000 bij de ING. Hij besluit om het bedrag in 36 maanden terug te betalen.

a   Bereken hoeveel Samir totaal aan de Postbank moet terugbetalen.

b   Welk bedrag heeft Samir na afloop aan kredietkosten betaald?

c   Bereken op 1 decimaal hoeveel procent de kredietkosten zijn van het leenbedrag.

 

o        11          Geef bij elke omschrijving hieronder aan van welk soort consumptief krediet er volgens jou sprake is.

Je kunt kiezen uit: huurkoop – persoonlijke lening – koop op afbetaling.

a   Het is een aankoop waarbij je een deel van de prijs aanbetaalt. De rest van het aankoopbedrag is het krediet. Je betaalt in termijnen terug en je wordt eigenaar bij levering van het product.

b   Je leent een bedrag dat je in vaste termijnen terugbetaalt. In het termijnbedrag zitten rente en aflossing verwerkt.

c   Bij deze vorm van lenen betaal je een gekocht product in termijnen terug. Je wordt pas eigenaar als alle termijnen zijn betaald.

 

n         12        Wat moet in de volgende zinnen ingevuld worden?

Kies uit: debetsaldoEUeurozoneprovisievreemde valutawisselkoers

Je houdt drie begrippen over.

a   Als banken het hebben over buitenlands geld, spreken ze ook wel over…

b   De euro is wettig betaalmiddel in alle landen van de…

c   De prijs van vreemd geld noem je ook wel de …

o    13        Banken verdienen geld aan hun klanten maar hebben ook veel kosten.

a   Noem twee kostenposten van banken.

b   Noem twee opbrengsten die banken hebben.

 

o         14         Marcel en Yvonne willen een nieuwe auto kopen en het benodigde geld bij de bank lenen. De bank wil weten hoe groot hun budgetruimte is. Yvonne en Marcel hebben een zoon van 11 en een dochter van 15 jaar. Yvonne verdient netto € 1.450 en Marcel € 1.200 per maand. Aan hypotheek betalen ze € 975 per maand.

a   Neem het formulier budgetruimte over en bereken daarmee de budgetruimte van Marcel en Yvonne.

 

Formulier budgetruimte                                                                                Tabel:

 

Budgetruimte/leenbedrag                                          

 

 

 

 

 

 

b                             Bepaal met de budgetruimte die je hebt berekend, hoeveel Evelien en Sander   maximaal kunnen lenen. Maak gebruik van de tabel budgetruimte/leenbedrag.

 

Tabel 2: Wisselkoersen 1 euro

 

o         15        Maak gebruik van bovenstaande tabel met wisselkoersen.

De familie De Vries gaat in januari twee weken op vakantie naar Amerika. Ze kopen bij het GWK (Grenswisselkantoor) 150 Amerikaanse dollar.

a   Hoeveel euro moet de familie betalen voor 150 Amerikaanse dollar? Rond je antwoord af op centen nauwkeurig.

 

Bij terugkomst blijken ze nog 40 Amerikaanse dollar over te hebben. Deze wisselen ze bij het GWK weer om voor euro’s.

b   Hoeveel euro’s ontvangen ze voor 40 Amerikaanse dollar? Rond je antwoord af op centen nauwkeurig.

 

 

 

 

PTA schooljaar klas niveau vak
2014 – 2015 3 VMBO TL Economie

 

Periode Onderdelen Vorm + tijdsduur  Herkansen  Weging 
1 Hfd. 1: Geld en Welvaart (Consumptie) 

Hfd. 2: De bank en jouw geld (Consumptie)

 

Praktische opdracht1*

 

Schriftelijk50 minuten

Schriftelijk

50 minuten

Praktisch

Nee 

Nee

 

Nee

3x 

3x

 

1x

2 Hfd. 3: Weet jij wat je koopt? (Consumptie) 

Hfd. 4:Zekerheid voor alles? (Consumptie)

 

Hfd. 5: Werk voor jou? (Arbeid en Bedrijfsleven)

 

Praktische opdracht2*

Schriftelijk50 minuten

Schriftelijk

50 minuten

Schriftelijk

50 minuten

Praktisch

Nee 

Nee

 

Nee

 

Nee

3x 

3x

 

3x

 

1x

3 Hfd. 6: Goede tijden, slechte tijden?(Arbeid en productie)

Hfd. 7: Is de overheid nodig?

(Overheid en bestuur)

Hfd. 8 Over de grens?

(Internationale ontwikkelingen)

 

Praktische opdracht3*

 

*Praktische opdrachten:

De leerling maakt gedurende het jaar elke periode 1 praktische opdracht, die door de docent verstrekt worden.

De eisen en de voorwaarden, waaraan de opdrachten moeten voldoen, worden door de vakdocent medegedeeld.

 

Schriftelijk50 minuten

Schriftelijk

50 minuten

Schriftelijk

50 minuten

 

 

 

Nee 

Nee

 

Nee

 

 

 

 

3x 

3x

 

3x

 

 

1x

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Scoretabel

Proefwerk H2        VMBO 2TL
1 2 3 4 5 6 7 8 9
a b c a b c a b c totaal cijfer
1 1 1 1 10
Lieke
Janneke
Mathijs
Peter
Totaal
Gem. score
P-waarde
H-waarde
L-waarde
D = H – L

 

 

[1] (Sanders, 2012)

[2] (Ebbens & Ettekoven, 2000)

[3] (Sanders, 2012)

[4] Zie bijlage PTA

[5] (Sanders, 2012)

[6] (Geerts & Kralingen, 2013)

[7] (Geerts & Kralingen, 2013)

[8] (Geerts & Kralingen, 2013)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.